The century was only twenty-one years old, and so was Ernst Krenek, when his Serenade op.4 was premièred on 31 July 1921 at the newly launched “Donaueschingen Chamber Music Performances for the advancement of contemporary music.” The event soon came to be known as Donaueschingen Festival, now one of the oldest specialized music festivals worldwide: Krenek’s music has occasionally been heard there since then – albeit as a series of utterly contrasting works one would hardly ascribe to the same composer. Such variety comes from Krenek’s chameleon-like capacity of metamorphosis, of which he was well aware. He accepted that he came off “badly compared with the great masters of the past, whose work presents itself to us as a well-rounded, logically organized unit.” We can already sense something of Krenek’s bewildering stylistic diversity in his 1919 Serenade. (...) (challengerecords.com)
"Het lijkt alsof er maar twee klarinetkwintetten zijn die er werkelijk toe doen, namelijk die van Mozart en Brahms. In werkelijkheid zijn er veel meer composities voor klarinet en strijkkwartet, zoals een eenvoudige zoekopdracht op muziekweb.nl laat zien. De bijdragen van Mozart en Brahms zijn echter zo perfect, dat de rest, terecht of niet terecht, op de achtergrond is geraakt. Wellicht met uitzondering van het fraaie Klarinetkwintet van Max Reger. Brahms was altijd al zijn voorbeeld geweest. Mozart werd zijn voorbeeld toen hij in Meiningen aan het hof werkzaam was als dirigent. Het Klarinetkwintet uit 1915 werd Regers zwanenzang. Ook bij hem die melancholische toon en melodieuze charme, alsof de anders zo onmatige Reger zijn voorgangers niet wilde bruuskeren. Reger werd op zijn beurt nagevolgd door zijn privéleerling Johanna Senfter. (...)" (muziekweb.nl)
Klik hier om cookies te accepteren zodat de vertaalmodule kan worden geladen. Het kan zijn dat je de pagina moet herladen.